Bindend advies GcZ, 26 januari 2022, SKGZ202101039
- 202101039
Uitspraak
De ziektekostenverzekeraar heeft in 2018 geconcludeerd dat verzoekster heeft gefraudeerd. Verzoekster heeft de ziektekostenverzekeraar destijds om heroverweging van deze beslissing gevraagd, maar de ziektekostenverzekeraar heeft zijn beslissing gehandhaafd. Verzoekster heeft hierin berust. In 2021 heeft verzoekster de ziektekostenverzekeraar gevraagd om de registratie van haar persoonsgegevens in het interne Gebeurtenissen- en Incidentenregister van de ziektekostenverzekeraar, het EVR en het CBV te schorsen dan wel de duur van de registratie te beperken tot drie jaren. De ziektekostenverzekeraar heeft dit verzoek afgewezen. Verzoekster is hiervan in beroep gekomen. De commissie overweegt dat de door de ziektekostenverzekeraar gestelde fraude niet in geschil is. Dat sprake was van fraude vormt daarom een gegeven. Gezien de vastgestelde fraude mocht de ziektekostenverzekeraar de gegevens van verzoekster opnemen in het interne Incidentenregister en ook in het EVR en hiervan melding doen bij het CBV mits en voor zover gedurende een periode die proportioneel is. Ter zitting heeft de ziektekostenverzekeraar aangeboden de duur van de registratie in het EVR, die door hem aan verzoekster zijn opgelegd in verband met fraude, te matigen tot vier jaren. Verzoekster heeft dit aanbod geaccepteerd, maar wil ook een uitspraak van de commissie. De commissie ziet geen aanleiding de duur van de opgelegde registratie in het EVR verder te beperken.
Uitspraak Bindend advies GcZ, 26 januari 2022, SKGZ202101039